Aletta Jacobs in Hollandscheveld

Aletta Jacobs (foto) werd 9 februari 1854 geboren in de dokterswoning van Sappemeer, als achtste kind van Abraham Jacobs en Anna de Jongh. Ze werd de koningin-moeder van het feminisme, en was de drijvende kracht achter de eerste golf van de vrouwenbeweging rond de eeuwwisseling. Zij was de eerste vrouwelijke studente in Nederland. Na voltooiing van haar studie werd ze de eerste vrouwelijke huisarts. In haar autobiografie “Herinneringen” geeft zij een beeld van haar uiterst bewogen en interessante leven. De eerste druk verscheen in 1924. Voor Hollandscheveld is interessant wat ze beschrijft uit de periode dat ze leerde voor apothekers-assistente, en zich voorbereidde op een examen.

Het speelde in haar 16de levensjaar:

alleta

“Mijn zenuwen bleken geheel in de war en bovendien leed ik aan bloedarmoede. Een paar maanden rust en sterke voeding was het parool. Gedurende mijn ziekte kwam mijn oudste broer (Julius), die intussen al enige jaren als medicus in Groningen gevestigd was, waar hij tevens optrad als klinisch assistent van professor Rosenstein, herhaaldelijk over. Hij deed alsof het voor hem een voldongen feit was dat ik medicijnen zou studeren. Urenlang bouwden wij luchtkastelen en stelden ons voor, hoe het zou zijn als wij tezamen in Groningen praktijk uitoefenden. Het leven kreeg weer waarde voor mij. Ik deed mijn best sterk en gezond te worden en na enige maanden was ik inderdaad krachtig genoeg om met de Latijnse en Griekse lessen te beginnen. Vader was mijn leermeester en Julius zou nu en dan thuiskomen om mijn vorderingen te controleren. Vol ijver begon ik de studie. Mijn vrije tijd bracht ik buiten door. Ik liep op stelten, hoepelde, deed gymnastiek, ik roeide, alles om toch maar flink en gezond te worden. “Want,” zei vader altijd, “vergeet niet dat je toekomstige werkkring ook lichamelijk veel van je zal vergen.”

In het najaar van 1869 kwam dr. Ali Cohen ons vertellen, dat voor het eerst een meisje deelgenomen had aan het examen van leerling-apotheker. Het denkbeeld was bij hem opgekomen, mij hetzelfde examen te laten afleggen. Slaagde ik, dan had ik daarmee althans enigszins mijn geschiktheid voor de studie bewezen; en wat de opgedane kennis betrof, die zou mij later in elk geval van pas komen. Vader en ook ik konden ons met dit denkbeeld verenigen. Ik was vastbesloten dan maar direct het volgend jaar al examen te doen. Mijn kennis van het Latijn was daarvoor ruimschoots voldoende. Er stonden echter ook andere vakken op het program, vakken waarin ik mij thuis niet kon bekwamen. Gelukkig had mijn tweede broer Sam zich een jaar tevoren als apotheker te Arnhem gevestigd. Charlotte, die later voorbestemd bleek de eerste vrouwelijke apotheker in Nederland te worden, bestuurde zijn huishouden. Wat was natuurlijker dan dat ik mij bij dat tweetal voegde om in de Gelderse hoofdstad de wijsheid op te doen, nodig voor het praktische gedeelte van het examen? Broer Sam vond het goed dat ik bij hem mijn intrek kwam nemen, maar onder voorwaarde dat hij zich met mijn studie niet behoefde te bemoeien. Als de meeste mannen uit die tijd vond hij het meer dan dwaas dat ik aan het beroep van apothekersleerling de voorkeur gaf boven dat van naaister. De bediende die van de morgen tot de avond in de drukke zaak werkzaam was, dacht er anders over. Van hem heb ik menige goede lessen voor mijn examen ontvangen.

Toen ik enige maanden in Arnhem vertoefd had, werd aan mijn studie plotseling een eind gemaakt. De beide kinderen van mijn getrouwde zuster hadden mazelen en kinkhoest. Hun moeder verwachtte haar derde baby en kon onder die omstandigheden onmogelijk langer de zorgen voor het huishouden en de patiënten geheel voor haar rekening nemen. En aangezien in dergelijke gevallen de zuster, wier enige roeping het was thuis te helpen, steeds zonder meer werd uitgeschakeld, was ik, hoewel nauwelijks zestien jaar oud, de aangewezen steun. Ik trok naar Drenthe en heb gedurende de maanden die ik bij mijn zuster doorbracht, meer en zwaarder werk verricht dan mijn krachten toelieten. Van het voorstel daarom het examen een jaar uit te stellen, wilde ik echter niets weten. Ik gaf mij naar later bleek met nog enige andere vrouwen voor het examen op en kreeg na verloop van tijd bericht dat ik 26 juli 1870 in Amsterdam present moest zijn.”

Tot zover de herinneringen van Aletta Jacobs. Op basis van deze herinneringen weten we dat we het verblijf van Aletta Jacobs in Drenthe moeten plaatsen tussen eind 1869 en 26 juli 1870. We kunnen specifieker worden, als we de herinneringen koppelen aan het bevolkingsregister van de gemeente Hoogeveen. Aletta Jacobs was namelijk in genoemde periode in het Hollandsche Veld en woonde in de dokterswoning aan Het Hoekje. Haar zuster Marianna Jacobs (geb. 24 augustus 1844) was in 1866 getrouwd met de arts Louis Izaäk van Coevorden, vrijgezel te Hollandsche Veld, en kwam per 1 juni 1866 bij hem wonen. Op 2 augustus 1867 beviel Marianna ‘s avonds om 18.00 uur van haar eerste kind, een dochtertje, dat ze Johanna Sophia noemden. Dokter van Coevorden kocht begin 1868 voor f 844,- een huis en wat bouwland ten noorden van het Hollandscheveldse Opgaande, op de noordkant van wat we nu kennen als Het Hoekje. Een jaar later rustte op het perceel een hypothecaire schuld van f 2000,-. Dokter van Coevorden had namelijk een herenhuis op de grond laten bouwen, dat we nu nog kennen als de dokterswoning van Hollandscheveld. Het mooie statige gebouw op de noordkant van Het Hoekje. In januari of februari 1869 werd het Marianna duidelijk dat ze weer zwanger was. Ter ondersteuning kwam de moeder van dokter Van Coevorden tijdelijk bij hen inwonen. Volgens het bevolkingsregister van de gemeente Hoogeveen vestigde ze zich per 8 mei 1869 aan Het Hoekje, in de dokterswoning. Het was de op 2 mei 1803 te Amersfoort geboren Saartje Ephraim Visser. Marianna Jacobs beviel 6 september 1869 ‘s morgens om 8.30 uur in de nieuwe dokterswoning van haar tweede dochter, Doriena Frederika. De oude mevrouw Van Coevorden-Visser vertrok in 1870 naar Amsterdam.

Afgaande op de geboortedatum van haar derde kind, was het in maart of april 1870 duidelijk dat Marianna weer in verwachting was. Even terug naar wat Aletta schreef: “De beide kinderen van mijn getrouwde zuster hadden mazelen en kinkhoest. Hun moeder verwachtte haar derde baby en kon onder die omstandigheden onmogelijk langer de zorgen voor het huishouden en de patiënten geheel voor haar rekening nemen..” We kennen nu de beide zieke kinderen, de meisjes Johanna van anderhalf en Doriena van een half jaar. Aletta schreef dat ze ‘maanden’ voor de huishouding zorgde. Voorafgaand aan haar examen van de 26ste juli vertrok ze vanuit haar ouderlijke woning te Sappemeer, om daar na het examen terug te keren, zo lazen we. Het werk bij haar zuster thuis had meer van haar gevraagd dan haar krachten toelieten. En dat voor een 16 jarige, die daarvoor ook al met bloedarmoede zat en teveel van haar zenuwen had gevraagd. Maar ze was blijkbaar wel fit genoeg om dit examen af te leggen. Het ligt dan ook voor de hand om te veronderstellen dat ze voorafgaand aan haar examen al enige weken in Sappemeer op krachten had kunnen komen. Haar verblijf in het Hollandscheveld moet dan ook, gelet op de chronologie van de gebeurtenissen, april, mei, juni en misschien nog begin juli 1870 zijn geweest. Misschien wel korter, maar zeker niet langer.

Tussen het examen en het opgeven daarvoor zat ‘verloop van tijd’. Dit viel waarschijnlijk samen met haar verblijf in de velden. De studie zal dan ook niet helemaal stil hebben gelegen, gedurende haar maanden in het Hollandsche Veld. Louis, haar zwager, kon zijn kennis van medicijnen en tal van medische zaken op haar overbrengen, in de contacten die ze in zijn vrije tijd en tijdens de ontmoetingen in de dokterswoning hadden. We weten helaas niet wat Aletta Jacobs behalve de herinneringen aan een zeer vermoeiende periode nog meer aan haar ontmoeting met het Hollandsche Veld overgehouden heeft. Later was ze een sterk voorvechtster van geboortebeperking. De praktijk van zwager Louis liet zien hoe vrouwen gesloopt werden door het achter elkaar krijgen van kind op kind. De begraafplaats van het Hollandsche Veld was in de 19de eeuw een trekpleister, voor de weinige toeristen die het gebied bezochten. Vincent van Gogh was in 1883 ook een van die bezoekers. In onze beleving zien we Aletta langs de graven lopen, waarvan vele de stoffelijke resten bevatten van (te) vroeg overleden vrouwen. We zien haar ook langs Het Hoekje lopen. Een groot kind, dat een half jaar daarvoor nog hoepelde en op stelten liep, maar nu (te) vroeg volwassen moest zijn, omdat de huishouding van zus en zwager moest draaien. We zien haar boodschappen doen in de winkels aan Het Hoekje, en de luxere winkels aan de Hoofdstraat van Hoogeveen, toen De Huizen genoemd. Aletta moet in haar kleding zijn opgevallen, tussen de eenvoudige arbeidersmeiden van haar leeftijd. Net zo goed als haar achtergrond bijzonder was. Joden kende men in Hollandscheveld alleen uit de verhalen die de dominee erover vertelde, uit de ontmoetingen met langs de deur komende marskramers, en via de handel in de plaats Hoogeveen. De familie Van Coevorden was het eerste Joodse gezin dat diep in de velden woonde. En daar woonde nu ineens een jonge meid in huis. De Hervormde Gemeente was eerst vacant, maar tijdens het verblijf van Aletta kwam de nieuwe predikant in de velden. Op 18 mei 1870 werd de jonge vrijgezelle predikant ds. J.E. Tatum Zubli bevestigd. De bevolking van de velden kon flinke verhalen ophangen, over de predikant en de vrouwen waar ze hem in hun fantasieën aan konden koppelen. Hoe is er in het eerste kwartaal van 1870 in de velden geroddeld over de jonge dominee in de pastorie en de jonge vrouw in de dokterswoning?

Dominee, dokter en hoofdmeester, waren voor de bevolking grootheden, die veel met elkaar omgingen, wat ook wel bleek uit hun gezamenlijke inzet voor de belangen van de velden. De vorige predikant was voorzitter geweest van de ‘Vereniging Hollandscheveld’, Plaatselijk Belang. In 1870 was zwager Louis voorzitter van deze belangenvereniging van veldelingen. Hoofdmeester Berend Veldkamp was secretaris. De emancipatie-geest woei stevig in huize Van Coevorden. Niet zozeer die van de vrouw, als we die van alle veldelingen in het algemeen. Het is bijna ondenkbaar dat alle mogelijke gebeurtenissen uit het dagelijks leven en ideeën ter bevordering van de sociale, economische en maatschappelijke welstand in de velden aan Aletta’s oren voorbij gingen. Juist in dit gezin verzette Aletta zich tegen de gedachte haar examen een jaar uit te stellen, ondanks alle moeilijkheden op haar weg, en ondanks de energie die ze kwijt was om het gezin draaiende te helpen houden. Ze bleef knokken en zette door. Na haar vertrek zal het gezin Van Coevorden een andere dame in de huishouding aangetrokken hebben, ter assistentie van Marianna. Marianna beviel 25 november 1870 ‘s avonds om 23.30 uur in de dokterswoning van een zoon, Eduard Isidor. Het gezin vertrok per 21 januari 1874 naar Slochteren. Dokter Louis Izaäk van Coevorden was later officier van gezondheid.

Baby Johanna Sophia van Coevorden (geb. 1867) groeide op en trouwde met Eduard Jacobs, uit Sappemeer, secretaris van de gemeente Lonneker. Ze stierf op 29 oktober 1944 in Amsterdam, 77 jaar oud. Baby Dorina Frederika van Coevorden (geb. 1869) groeide op, studeerde, werkte als tandarts en werd zelf moeder. Ze was getrouwd met Pieter Muntendam. Samen woonden ze in Bussum. Daar stierf Pieter in 1927. Ze woonde vanaf 1928 in Den Haag, Groot Hertoginnelaan 135. Ze stierf 11 juni 1943 in het vernietigingskamp Sobibor, 73 jaar oud. Haar ene zoon overleefde de oorlog. Hij was huisarts…. in Hollandscheveld, in de woning waar zijn moeder was geboren. Het kantoortje op de westgevel van de dokterswoning wordt nog steeds het kamertje van Muntendam genoemd. Nadien was hij o.a. staatssecretaris. Baby Eduard Isidor van Coevorden (1870) groeide op, trouwde met Pauline Bergsma, en overleed 8 februari 1935 in Laren, NH. Er waren geen kinderen. Tante Aletta Jacobs ging haar eigen weg. Ze werd het symbool van de vrouwenbeweging. Ze toonde ons wat gelijkwaardigheid voor mensen kon betekenen. Het gezin van de dokter van Hollandscheveld zal ons ook altijd blijven herinneren aan wat de consequentie kan zijn als mensen elkaar niet meer als gelijkwaardig zien. Sobibor.

© Albert Metselaar