...nog meer geschiedenis

Hollandscheveld was ooit deel van een zee. Diep onder de bodem ligt zelfs nog een ingesloten meer. De ijstijden lieten overal in het gebied keien en vuursteen achter. Ongeveer 10.000 jaar geleden begon het Holoceen, het warme tijdperk waarin wij nu leven. Een herinnering aan de intredende dooi na de ijstijd is de zogenaamde ‘pingoruïne’, half tussen de Albartsweg en de Riegshoogtendijk, iets ten noorden van het Jan Wintersdijkje. Een pingoruïne is het restant van een diep onder de bodem achtergebleven klomp ijs (de pingo) uit de ijstijd. Deze ontdooide uiteindelijk, en de klomp ijs werd water. Er ligt daar een vennetje.

Schermafbeelding 2013-08-08 om 21.56.28

Na het ijs was het gebied nog een paar duizend jaar toegankelijk voor doortrekkende jagers en verzamelaars. Ze lieten hun vuurstenen werktuigen en werktuigen achter, zodat we zeker zijn van hun aanwezigheid. Het trechterbekervolk c.q. de hunebedbouwers en alle andere steentijdculturen van het oude Drenthe, ze waren hier op jacht of trokken om andere redenen door het gebied.  Langzamerhand groeide het veen, vanuit de beken en de meertjes in het gebied. De steeds dikker wordende laag veen was voor de mens van vroeger net zo mysterieus als we de laatste veengebieden van Drenthe nog steeds kunnen ervaren. Gevolg: de mens zag het veen als een plaats om met het ‘Hogere’ in contact te komen. Er werden offers achtergelaten op heilige plaatsen. In 1916 kwam het Drents Museum in het bezit van een randhielbijl, een bronzen bijl met een opstaande rand op de hiel. De bijl was gevonden in Hollandscheveld. De bijl is waarschijnlijk een restant van een rituele gift. De bijl stamt uit de midden bronstijd, 1800-1100 v.Chr. Vanuit het huidige Alteveer liep een paalweg het veen in. Er werden als offers enkele handmolenstenen achtergelaten. Er stond zelfs een boerderijtje op een plek bij de Riegshoogtendijk, die later onder het veen verdween. Op of langs de Riegshoogtendijk liep een veenweg van noord naar zuiden omgekeerd. Turf, gedroogd veen, werd de olie van de Gouden Eeuw. De eerste belangstelling was er al op 30 april 1551, toen boeren van Meppen de Meppense Venen overdroegen aan Reinolt van Burmania en zijn vrouw Elisabeth van Brakel. Als we de begrenzing van de Meppense Venen uittekenen op een kaart van de gemeente Hoogeveen uit 1867, dan zien we een dikke streep van de zogenaamde Wolfskuilen, rechtsboven, naar de kop van het vroegere Riegmeer, bij de huidige Carstensdijk. De venen rechts daarvan gingen via vererving over op andere leden van de familie Van Burmania, tot ze in de periode 1631-1633 na diverse processen opgingen in het gebied van de Compagnie van de 5000 Morgen.

Ten oosten van het huidige dorp Hollandscheveld lagen venen van de boeren van Steenbergen en Ten Arlo. Die verruilden in 1625 een stuk veen zonder ondergrond. Die ondergrond werd verkocht in 1630. De grens van het gebied lag met zekerheid bij wat we nu in Hollandscheveld ’t Èultie noemen. Vroeger was dat Alberts Holtien, een meertje met een bosje. Verder moesten de nieuwe eigenaars maar zorgen dat ze zelf het gebied verdedigden. Ook de lijn bij Alberts Holtien is op de kaart van 1867 getrokken. Wat opvalt is dat het huidige dorp Hollandscheveld tussen beide gebieden in ligt. Zowel de eigenaren van de Meppense Venen als de eigenaren van de venen van Steenbergen en Ten Arlo konden het gebied opeisen. Dit dus tot de samenvoeging van 1631-1633. Er was nogal wat mis gegaan bij de grondoverdracht. De formele overdracht was pas in 1664. Tevens waren er doorlopend problemen over de eigendomsrechten van de Meppense Venen. Dat werd pas opgelost in 1657. Tot die jaren was de grond onder het dorp betwist gebied.

Middenin het huidige dorp Hollandscheveld vinden we een kei met het jaartal 1631. Die herinnert aan de Hollandse heren uit Leiden en Amsterdam die in 1631 zich inkochten in de Compagnie van 5000 Morgen. Ze werden later eigenaren van het Hollandsche Veld, toen de voornoemde Compagnie uit elkaar viel. Zelf vormden ze vanaf 1635 de Hollandse Compagnie. Het zou nog jaren duren voor ze ook echt eigenaar werden van het grote Hollandsche Veld, dat ze op papier al in 1637 toegewezen kregen. Er waren nog heel wat processen te gaan. De Hollanders waren dan ook niet de stichters van het dorp Hollandscheveld, maar gaven wel hun naam aan het gebied. Een prachtig merengebied met hier en daar wat bomen.

Vanuit het Kruis bij Hoogeveen werd een opgaande, een kanaal, in het gebied gegraven. Vanuit dat kanaal werden vele, vele wijken gegraven. De afgestoken turf werd afgevoerd via de wijken en de kanalen. We kennen de hele ontwikkeling van de kanalengraverij. In de zomer van 1660 lag het opgaande in Het Hollandsche Veld al tot tussen de panden Hollandscheveldse Opgaande no. 61 en 63. Vanuit dat punt werd in 1663 nog pakweg 200 meter oostwaarts gegraven. Het opgaande lag vanaf dat moment tot een punt midden tussen de huidige panden Hollandscheveldse Opgaande no.71 en 73. Door nog 200 roeden, iets meer dan 800 meter, aan te besteden kwam men in het Grote Blok. Dat was het uitgestrekte veengebied van de Hollanders ten oosten van de Riegshoogtendijk. Die laatste 200 roeden, daar viel ook het Hoekje onder. De ‘Hoofdstraat’, van het huidige dorp Hollandscheveld. Ook dat was toen allemaal water. We weten ook wie het Hoekje gegraven hebben. Samuel Seitz en Harmen Claaes Schuijrinck hebben in 1664 dat stuk kanaal aangenomen, geaccepteerd om het te zullen graven. Het werk liep voorspoedig. Het Hoekje was al klaar in 1670. Pas vanaf 1714 groef men verder, het Zuideropgaande ontstond. Van daaruit ging men tevens verder met het Rechtuit en de vele andere wijken in het gebied. Veel werk, maar wanneer kwamen hier mensen wonen?

Het Hollandsche Veld begon dus al in Hoogeveen, maar dat laten we hier buiten beschouwing We weten niet precies wanneer de eerste woning in het Hollandscheveld werd gebouwd, zoals we dat nu kennen. Zeker is in ieder geval dat er in 1684 al twee woningen stonden – met een draaivonder ertussen – op de plek van de huidige panden Lange Dijk 9 t/m 14. In 1712 werd het eerste pand gebouwd aan wat we nu nog kennen als Hollandscheveldse Opgaande. Sijmen Alberts Scholte woonde daar. De woning stond waar we nu de panden 41 t/m 43 vinden. Het eerste pand aan het Hoekje werd gebouwd in 1728, waar we nu Hoekje no. 4 vinden. Daar woonde toen Jan Harms Schonewille. In 1756 stonden verderop aan het Zuideropgaande al drie woningen. Daar tussenin en verderop, ook op de wijken, werden in de eeuwen erna honderden panden gebouwd en na verloop van tijd weer afgebroken. Ze hadden aanvankelijk een ding gemeen: het ging om woningen die bedoeld waren voor mensen met meerdere vormen van inkomsten. De mensen waren in het veen aan het werk als arbeider, schipper, veenbaas, en wat al niet meer, terwijl ze tegelijkertijd wat vee hielden, wat landbouw bedreven, kortom, alles wat maar mogelijk was om aan de kost te komen.

De turfgraverij ging door tot ver in de 19e eeuw. In de 19e eeuw werd bosbouw steeds belangrijker. De bossen die we nu nog kennen werden aangelegd of schoten spontaan op. De bossen waren toentertijd zo groot, dat veel van de weilanden tussen de huidige bossen toen vol stonden met bomen. Voor de arbeiders was er veel werk in de bossen, in de houtkap, of op de landbouwbedrijven die er ontstonden. In de 20e eeuw kwam daar de tuinderij bij. Tienduizenden kisten met bonen en andere tuinbouwproducten werden hier verbouwd enafgevoerd via de tuinbouwverenigingen van de Hoogeveense buitengebieden, om verkocht te worden via de Hoogeveense veiling, eventueel ingemaakt in een Hoogeveense conservenfabriek – in blikken uit de Hoogeveense blikfabriek – waar die arbeiders deels werden omgeschoold tot fabrieksarbeiders. Een ander deel werd na de Tweede Wereldoorlog omgeschoold voor de bouw: timmerman, metselaar, stukadoor, voeger enz.

Een dorp Hollandscheveld is iets van na de Tweede Wereldoorlog. Tot die tijd waren de woningen dus verspreid over een uitgestrekt gebied. Het dorp ontstond rondom het al eerder genoemde Hoekje. Dat werd het centrum door de bouw van een school en een kerk. De eerste school van de velden stond waar we nu Hollandscheveldse Opgaande no. 22 vinden. Daar hield meester Pieter Steen school vanaf 1757. Later hield hij ook conventikels, kerkelijke samenkomsten in de velden. In 1819 werd een openbare lagere school in de velden gebouwd. School en onderwijzerswoning zaten in het witte pand, bij het park het huidige dorp. Aan de andere kant van het park werd in 1851 een Hervormde kerk gebouwd. De gevelstenen vertellen er meer over. In 1854 werd een begraafplaats in gebruik genomen. Vincent van Gogh was er nog, een van onze eerste toeristen, een steen herinnert eraan. Daarvoor al was er de Afscheiding geweest, waardoor al vanaf 1835 de Gereformeerden afzonderlijk bij elkaar kwamen in de velden. Die kregen later een kerk aan het Jan Wintersdijkje. Ook die buurt zou een centrum kunnen worden, zo leek het lang. Maar die kerk en die school op de kop van het Zuideropgaande, later ook nog een ‘nieuwe’ school daar tussenin, nu al weer lang afgebroken, die stonden centraal. Zo centraal dat de nieuwbouw na de Tweede Wereldoorlog geconcentreerd werd rond het Hoekje. Het kloppend hart van het huidige Hollandscheveld.

Die Tweede Wereldoorlog liet zijn sporen na. De dodenlijst vindt u op een gedenkteken in het park. Ook de SS, die hier in de oorlog verschrikkelijk huishield, heeft zijn sporen nagelaten. Net zoals dat veenverleden zijn sporen naliet. Bij de Hervormde kerk staat een beeld van Cilie, uitgescholden voor Nevelhekse. Vraag de mensen maar eens wie ze was, iedereen heeft zijn eigen verhaal en dat ze enkel ontsproten is aan de geest van een schrijver wil er haast niet in. Ook de vrijheid van de kleine boer, de keuterboer die er schipper of arbeider bij was, heeft zijn sporen achtergelaten. De bevolking gaat graag haar eigen gang. Daar hoeft niets mis mee te zijn, maar misschien herinnert u zich Boer Koekoek nog? Aan het Hollandscheveldse Opgaande staat een gedenksteen. Toen het dorp werd gevormd en overal kanalen en wijken werden gedempt, om het gebied met nieuwe wegen toegankelijk te maken, toen kwamen nieuwe regels en inzichten binnen. Ze vraten aan de vrijheidszin van velen. Hollandscheveld had zijn spanningen in het meegroeien daarin. Die kwam eruit door opgelegde maatregelen van het Landbouwschap. De vrije boer stond even centraal voor het oog van de wereld. De grootste rellen van na de oorlog, zo zag men dat toen. En dat in Hollandscheveld, in maart 1963. De rust is al lang weergekeerd. Alhoewel, zo af en toe zijn er van die vergaderingen waar nog lang over wordt nagepraat. Maar u als bezoeker van ons dorp, u als winkelende gast, u als nieuwe inwoner van het dorp of oudgediende, u vindt hier een gemeenschap die bruist van alles wat een modern dorp kan bieden. En dat is vooral veel woonplezier.

 

Bent u geinteresseerd in de geschiedenis van Hollandscheveld? OP www.hollandscheveld.nl vindt u veel meer informatie.