De woning van een vervener uit de buitengebieden van Hoogeveen 

Schermafbeelding 2013-08-09 om 13.37.11

Het pand Hollandscheveldse Opgaande no. 6 werd in 1765 gebouwd door de familie Klinkien. Jan Alberts Klinkien woonde net ten oosten van dit pand. Toen zijn zoon Albert trouwde en behuizing nodig had werd op grond van de Klinkien’s een langgerekt boerderijtje gebouwd, dat in de lengte langs het Hollandscheveldse Opgaande stond. Men bouwde op traditionele wijze: houten gebinten, die een dak van met riet bedekt rondhout droegen, en niet-dragende muren van met leem bestreken vlechtwerk. Dit was geen teken van armoede.

Dit was de meest algemeen voorkomende Drentse bouwstijl in die dagen. Het pand reikte oorspronkelijk vanaf de oostzijde tot tussen de beide ramen die nu nog in de noordgevel zichtbaar zijn. Het laatste raam en de deur zijn van later datum. Albert Jans Klinkien ging na enige jaren verhuizen naar zijn ouderlijke woning, net ten oosten van het pand. Op 11 januari 1793 werden het pand Hollandscheveldse Opgaande no. 6 met bijbehorende grond voor f 1140,- verkocht aan de zwagers Harm Jans Post en Hendrik ( alias ‘Lochien’) Thijs Thalen, schippers en verveners. Hendrik Thijs Thalen woonde schuin tegenover dit pand, op de noordkant van het Hollandscheveldse Opgaande. Hendrik en Harm gebruikten het pand als meierwoning voor hun arbeiders. In 1794 was Wolter Sijmens de bewoner ervan. Diens zoon Simon Wolters werd geestesziek en lag aan zijn bed geketend.

Hendrik Thijs Thalen besloot om zelf in het huis te gaan wonen. Hij werd voor het eerst als bewoner genoemd in het haardstedenregister van 1800. Gelet op de gewoonten van die tijd zal hij er rond 1 mei 1800 in getrokken zijn. In of omstreeks dat jaar werd het pand verbouwd. Naar het westen toe werden er twee éénkamerwoninkjes aan gebouwd, bedoeld voor de arbeiders van Hendrik. Hierin werden ook de zieke Simon Wolters en zijn vrouw ondergebracht. Pikant detail: in deze periode hoorde hij volgens de regels van de toenmalige wet eigenlijk helemaal niet actief te zijn in de velden. Hij was toentertijd ondergedoken, na een uitbraak uit de gevangenis. Hij was veroordeeld, omdat hij als fel aanhanger van de Prins van Oranje zich actief verzet had tegen de aanhangers van de Fransen.

In 1804 stond de hoofdwoning in het haardstedenregister op naam van ‘Hendrik Thijs Thalens vrouw’, Elsje Roelofs Dodevis, de dochter van schoolmeester en vervener Roelof Lamberts Dodevis. De twee aangebouwde woninkjes werden bewoond door Simon Wolters (onvermogend, kreeg van de diaconie) en Andries van Boven (de meest westelijke kamer, eveneens onvermogend). Er werd nog een éénkamerwoninkje bij aangebouwd. Dat er daadwerkelijk kort na 1804 al sprake was van vier woongedeelten, blijkt ook uit het register van onroerende goederen uit 1807. Daarin werd het pand vermeld onder de huisnummers 260 tot en met 263, eigendom van Hendrik Thijs Thalen. De bijbehorende grond, de westkant van de wijk, werd beschreven als: ‘heideveld, 1 stuk zaailand, 6 stukken groenland.’

Een bewonersregister uit 1807 laat ons zien wie er toentertijd woonachtig waren. Op A 260 woonde Aaltje Hendriks Thalen. Haar moeder was toen overleden en vader Hendrik was inmiddels weer opgepakt. Op A 261 woonde niemand. Het huis stond leeg. Simon Wolters en zijn vrouw waren blijkbaar vertrokken. Op A 262 woonde H.G. Booy, en op A 263 de tapper A.Veldman. Al hoe klein dit hoekwoninkje ook was, was het blijkbaar groot genoeg om voor publiek borrels te schenken. De eigen woonkamer was daarmee ook de gelagkamer. Deze huisnummers stonden in een huisnummerregister uit 1809 op naam van J.Jans Booy. Jan Jans Booy was inmiddels getrouwd met Aaltje Hendriks Thalen en had het beheer van het vervenersbedrijf overgenomen, zolang Hendrik Thijs Thalen zelf in de gevangenis zat. Volgens het haardstedenregister van 1811 waren de bewoners van de vier woninkjes: Egbert Jans Boer (hoofdwoning), Jan Jans Booij (1ste kleine woninkje ernaast), Roelof Jans Boer (2de woninkje), en Hilbert Gaauw (Schonewille, 3de woninkje, de hoekwoning).

In het bevolkingsregister van Hoogeveen van 1829 vinden we nog steeds vier woningen in het huidige pand Hollandscheveldse Opgaande no.6. Tussen 1829 en 1890 ontbreken huisnummerregisters of andere bescheiden, waaruit we een goed beeld kunnen krijgen van de bewoners van het pand. Wel heeft een ‘toevallige’ vondst nog wat interessants opgeleverd. Uit een geboorteakte blijkt dat in 1838 op nummer A 220 woonachtig was: Jan Frederik Zeebuit, schoenmaker en gangmaker van de Afscheiding te Hoogeveen. Zeebuit was op dat moment formeel oefenaar (hulpprediker) van de gemeente van Koekange. In deze jaren was er een actieve groep Afgescheidenen in het Hollandscheveld, geconcentreerd rond het Hollandscheveldse Opgaande. Aannemelijk is dat er toentertijd ook samenkomsten in de velden werden gehouden, waarin voorgegaan werd door Zeebuit. Daarmee had de woning min of meer de functie van pastorie.

In de loop van de 19de eeuw is er nogal wat veranderd aan het huidige pand Hollandscheveldse Opgaande no.6. Twee van de aangebouwde kleine woninkjes werden afgebroken. De derde werd aangesloten bij de hoofdwoning, zodat er in de ene hoofdwoning veel meer ruimte was ontstaan. Gelet op het soort steen dat de oude woning kende, kunnen we er van uit gaan dat in deze 19de eeuw de lemen muren werden afgebroken en in steen werden opgetrokken. Het baandertje in de oostgevel zal oorspronkelijk veel centraler hebben gezeten (net als bij het pand Hollandscheveldse Opgaande no.16 het geval is) maar werd wat verder naar achteren geplaatst. Oorspronkelijk was slechts een gedeelte van het gebouw op de achterkant iets uitgebouwd en liep wat lager af. In de 19de eeuw werd een groot deel van de achterkant naar achteren toe en met laag aflopend dak uitgebouwd. In de 30’er jaren van de 20ste eeuw werd het laatste gedeelte, achter het woongedeelte, eveneens naar achteren toe uitgebouwd. Jan Woltinge (geb. 1916) wist zich later te herinneren dat dit gebeurde toen hij jong was. Er werden slaapkamertjes in de woning gemaakt. Hij en zijn broers sliepen tijdens de verbouwing enige tijd in het hooi.

Toen het pand in de 18de eeuw werd gebouwd, hadden de bewoners slechts enkele koeien en had men tevens inkomsten uit het eigen veen of als veenarbeider. In de loop van de 19de eeuw was de vervening aan het aflopen en werd de veehouderij steeds belangrijker. Men hield meer vee, maar daarvoor had je wel meer koestalruimte nodig. Zowel tegen de noordkant als tegen de oostkant van het bedrijfsgedeelte stonden uiteindelijk koeien en pinken, getuige de koegruppen langs deze zijden. De uitbouw naar achteren toe werd bedekt met pannen, terwijl de rest van de woning een rietdak bleef houden. Wat er ook veranderde, tot de afbraak van het bedrijfsgedeelte in maart 2000 bleven dragende gebinten als houten skelet het bouwwerk in zijn vorm houden. Al met al is de woning, zoals we hem sinds de eerste helft van de 20ste eeuw kennen, nogal veranderd ten opzichte van het pand dat vanaf het prille begin van de 19de eeuw op deze plaats heeft gestaan. We hebben het nog niet gehad over de knik in het dak, door sommigen wel ‘kamelenrug’ genoemd. In Giethoorn en omgeving is dit een gangbare bouwvorm. Daarbij heeft het woongedeelte een lager dak dan het bedrijfsgedeelte. Het is zeer waarschijnlijk dat hier absoluut geen sprake is geweest van een bewust bedoelde ‘kamelenrug’. Waarschijnlijker is dat in de loop van de 19de eeuw of het begin van de 20ste eeuw het oude dakgedeelte, van het pand uit 1765 verzakt is ten opzichte van de rond 1800 aangebouwde kamers. Om kosten te sparen liet men het maar zo.

Dinsdag 21 maart 2000 begon de sloop van het oude pand. Herman en Aleida Dekker, familie van de Woltinge’s, lieten het bedrijfsgedeelte helemaal verwijderen, met kap en al. De noordmuur, aan de kant van het Hollandscheveldse Opgaande, en het woongedeelte bleven staan. Tot dat moment was het pand het oudste nog in zijn oorspronkelijke staat verkerende pand in de oude gemeente Hoogeveen. Het pand was in dat opzicht origineler dan het ‘Huis met de Duivengaten’ en de drogisterij, bij het Kruis te Hoogeveen, aangezien van deze oude panden alleen de originele gevels nog maar stonden. Het pand Hollandscheveldse Opgaande no. 6 ging nu dezelfde weg. Maar dat was de enige manier om iets van de oude staat te behouden. Achter de oorspronkelijke oude gevel werd een nieuw woongedeelte gebouwd. Eind juni is er door rietdekkerij A.Zantingh uit Kerkenveld een geheel nieuw rieten dak op de woning gelegd. Alleen de uitbouw naar achteren toe bleef rietvrij. Daar lagen oorspronkelijk pannen, dus dat bleef zo. Ook op het overeind gebleven oude woongedeelte werd nieuw riet gelegd. In juli 2000 werd de woning afgebouwd. Het oudste pand van het Hollandsche Veld was nu volledig gerestaureerd. Vervolgens werd begonnen met het enigszins in oude staat herstellen van de oude veenwijk van de woning en de herinrichting van de woonkamer. Deze ademt nu de sfeer van de jaren ’30 en ’40 van de 20e eeuw. De dagen dat de familie Woltinge daar woonde met opgroeiende kinderen. De ouden van dagen, die uiteindelijk zorgden dat het pand zo mooi bewaard bleef.

©Albert Metselaar, Hoogeveen 2010